Conny Braam (Schrijver en antiapartheidsactivist)

‘Mijn betovergrootvader was verantwoordelijk voor het duin en zag de wantoestanden rond het Noordzeekanaal ontstaan’

Conny Braam ©Robert Lagendijk

Conny Braam ©Robert Lagendijk

 

Conny Braam (Arnhem, 1948) kent de verhalen die zich afspeelden rond de het Noordzeekanaal als geen ander. Haar voorouders zagen ooit de aanleg er van voor hun ogen voltrekken. Braam – een vereenvoudiging van de Russische familienaam Abramovic – schreef er een trilogie over: De Woede van Abraham, De Onweerstaanbare Bastaard en Het Schandaal. Maar er is meer dat haar bindt aan de Oude Houthaven. In 2009 verscheen haar roman De handelsreiziger van de Nederlandse Cocaïnefabriek, waarin een bijzondere plek is weggelegd voor Pakhuis Het Veem. Inmiddels staat haar naam op meer dan tien romans. Kenmerkend in haar werk is dat ze de geschiedenis aan de hand van het verhaal van de gewone man vertelt. Dit doet zij door gedegen speurwerk in alle mogelijke archieven.

‘Ik ben geboren in Arnhem. Mijn vader was ooit vertrokken uit IJmuiden. Het ontstaan van trilogie begon eigenlijk rond mijn zesde, zevende levensjaar. Opa Braam vertelde veel verhalen. Ik geloofde alles wat hij zei. “En alles wat ik je vertel, moet je later opschrijven,” zei hij dan. Ik wist toen al dat ik schrijver moest worden. Ik ging vaak naar opa vanuit Arnhem. Opa Braam was boven alles en iedereen verheven. Hij kende werkelijk iedereen en alle verhalen. Hij had iedereen begraven en had de bijnaam Bram de Leugenaar. Opa Braam was excentriek. Soms had ie een koets en soms een zilveren legerjeep. Hij vertelde graag over de familie.’

 

‘Opa: “Duizenden kwamen naar de Breesaap en ze hebben daar moeten leven als beesten.”
Ik: “Als beesten, opa? Maar hoe dan?”
Opa: “Daar kan ik je niets over vertellen. Daar ben je nog te jong voor!”
Maar dat zei hij altijd als hij niet precies wist hoe het zat.’

 

‘Mijn familie kwam begin 19e eeuw – dwars door Europa – op een ossenwagen vanuit Rusland, op zoek naar een beter leven. Ze belandden uiteindelijk ten westen van Velsen. Mijn betovergrootopa Abramovic wilde het water zien. Dat was de enige reden dat de familie in IJmuiden terecht kwam.’

 

Conny Braam ©Robert Lagendijk

Conny Braam ©Robert Lagendijk

‘Rond 1840 kwam de familie aan in het duin. Daar was ‘Holland op zijn Smalst’. De Breesaap was de mooiste vallei in de duinen en stond vol orchideeën. Het is vaak beschreven door schrijvers en dichters in die tijd en was particulier gebied van ene Jacobus Steward. De familie kon er een boerderij pachten: Schralenstein. Deze stond vlakbij waar nu het kanaal is.’

 

‘Het praten heeft altijd in de familie gezeten. De verhalen gingen van geslacht op geslacht. Jacobus Steward gunde mijn betovergrootvader twee rechten: Hij werd duinopzichter en moest het gebied in stand houden. Daar hoorde ook de wildstand bij. Dus ze aten drie keer per dag konijn. Daarnaast werd hij strandvonder, een soort jutter, alleen moest hij alles wat je vond bij de burgemeester inleveren. Er vergingen daar in die tijd veel schepen voor de kust. Die voeren toen nog buitenom, via Den Helder, naar de Zuiderzee.’

 

‘Er spoelden veel drenkelingen aan. Niemand zat daar op te wachten, want je wist hun godsdienst niet. Dus je wist ook niet waar en hoe ze moesten worden begraven. Mijn betovergrootopa, zelf vreemdeling, wilde die mensen een fatsoenlijke begrafenis geven. Dat moest in het duin gebeuren. Hij verzon zelf een verhaal bij de overledenen. Er kwamen alleen andere boeren kijken. Het is nog altijd een uitdrukking in IJmuiden als iemand erg ziek is: Hij zal wel spoedig naar Braam gaan.’

 

‘Ik hing altijd aan mijn opa’s lippen. Het leek allemaal idyllisch, maar dat was het natuurlijk niet. In 1862, 1863 werd begonnen met het graven van het Noordzeekanaal. Dat gebeurde door vreemdelingen uit het hele land. Ze kwamen van Groningen tot Limburg en hadden andere accenten en aten vreemd eten. Ze trokken arm naar het westen van Velsen, vaak op blote voeten. In het duin meldden ze zich bij de Engelse aannemer. Ze kwamen met de hele familie inclusief bejaarden. Er was geen enkele voorziening, alleen maar duin. ‘

 

‘Toen ik ouder was en zelf onderzoek ging doen, bleek mijn opa gelijk te hebben: de mensen leefden als beesten in de Breesaap. De mensen moesten een hol graven in het duin om te kunnen wonen. Zo hebben tienduizenden mensen gewoond. Allemaal illegalen, want ze stonden nergens meer ingeschreven. Het werden ook wel Poldergasten genoemd. Mijn betovergrootvader was dus verantwoordelijk voor het duin waar al deze mensen zicht gingen vestigen. Hij zag de situatie ontstaan.’

 

‘In januari 1872 was het weer zo slecht dat het werk werd gestaakt. Het vroor en er kon geen schep de grond in. En dus kon er niet gewerkt worden en dus werd er geen cent verdiend. In de krant verschenen berichten: Honger waart door de Breesaap. Dit was voor mij een indicatie dat het in de Breesaap echt bar en boos was. Ik wilde er meer van weten maar kon aanvankelijk weinig in het archief vinden. Ik kreeg de tip om bij de in- en uitgaande post van de Gemeente Velsen te zoeken. Jacob Vidal de St. Germain was de jonge gemeente secretaris van 23 jaar oud die kreeg verzoeken van de mensen uit de Breesaap voor onderstand, ofwel bijstand. Velsen gaf dit niet, want de mensen waren er niet ingeschreven. Maar volgens de Gemeentewet moest Jacob de gemeenten waar deze mensen claimden vandaan te komen aanschrijven. Zijn werk resulteerde in honderden brieven die nu in het archief zitten. Ik had ineens namen en doodsoorzaken. Veel mannen verdronken waardoor weduwen met vaak vijf kinderen achterbleven.’

 

‘Alle aangeschreven gemeentes antwoordden dat de betreffende persoon ook daar niet bekend was. En zo moest Maartje met vijf kinderen weer een half uur lopen naar de Breesaap. De provincie en het rijk deden ook niets aan deze wantoestanden. Ook die brieven zijn er. Toen ik aan mijn research begon, wist niemand hier iets van. Ik had alleen het zinnetje van mijn opa: die mensen hebben er moeten leven als beesten, meer kan ik je niet vertellen.’

(vervolg onder de foto)

 

Conny Braam ©Robert Lagendijk

Conny Braam ©Robert Lagendijk

‘Om het kanaal aan te leggen, werd het IJ deels ingepolderd en Holland op zijn Smalst – van het Wijkermeer tot aan Schralenstein – werd juist afgegraven. Schralenstein moest in 1874, 1875 worden afgebroken. Mijn familie, op zoek naar een beter leven, bleef. Ondanks de sloop van de boerderij. Steen voor steen werd deze afgebroken en zuidelijk, aan de kant van IJmuiden, weer opgebouwd. Precies op de plek waar het eerste straatje ontstond. De Oude Braam had inmiddels aanzien verworven. Ik heb in het archief brieven gevonden waarin hij zijn beklag doet over de slechte leefomstandigheden van de arbeiders in de duinen. Het straatje dat rond De Oude Braam ontstond noemden ze de Kalverstraat. Ironisch, omdat er geen groter verschil met de Kalverstraat in Amsterdam denkbaar was. Mijn betovergrootopa wilde de mensen die tijdens het werk dood gingen, begraven. Maar die mensen stonden nergens ingeschreven en dus konden ze niet in Velsen begraven worden. Hij bood toen zijn diensten aan om deze mensen wel te begraven. Later, toen het kanaal er eenmaal was, werd hij ook echt de doodgraver van IJmuiden.’

 

‘In die tijd waren de winters koud en die arbeiders zaten er dag in, dag uit, jaar in, jaar uit. Er kwamen veel mannen om door het grondwater wat omhoog kwam. Vrouwen werden doorgaans hoer. Het was er Sodom en Gomorra en er waren veel ziektes.’

 

‘Uiteindelijk was het kanaal in 1875 klaar. Het laatste stukje duin werd doorbroken en waar de boeren bang voor waren gebeurde: het zoete duinwater mengde met het zoute zeewater. Het Noordzeekanaal werd door Koning Willem III geopend. Uit het dagboek van zijn secretaris bleek dat de koning – hij woonde toen op Het Loo, geen klap zin had om helemaal naar IJmuiden te gaan. Hij kwam uiteindelijk met de trein naar Haarlem, reed vervolgens een stuk met het rijtuig en legde het laatste stuk naar IJmuiden af met de boot. Hij was gekomen op de voorwaarde dat hij voor het avondeten weer thuis zou zijn. Zo is het ook gegaan. Het was alleen enorm slecht weer waardoor iedereen zeeziek was. Bij de sluizen opende hij het kanaal en hij ging vervolgens weer snel met alle hoge gasten terug naar het Paleis van Volksvlijt in Amsterdam voor het diner-dansant. Er was een maquette van de Breesaap, inclusief alle waterwerken. Eten was er in overvloed en na afloop was er een groots vuurwerk aan het IJ. Het idee achter het kanaal was immers: laat de grote schepen – en dus de potten met goud – maar binnenvaren! De welvaart kwam vanzelf wel met de schepen mee. De Polderjongens in de duinen kregen, toen de koning allang weg was, als dank een glas jenever.’

 

‘Tussen 1880 en 1890 groeide IJmuiden als de nieuwe monding van het IJ. Mensen dachten dat de grote toeristenschepen allemaal naar Amsterdam zouden komen en een tussenstop in IJmuiden zouden maken. In het kleine dorp vestigden zich bontwerkers, kappers en juweliers. Het zou Scheveningen in de schaduw zetten. Maar IJmuiden werd gewoon een vissersdorp, vanwege de pieren. En waar vissers zijn, zijn dranklokalen waar ook gedanst werd. En zo kwamen er ook boten vol dames uit Amsterdam die van “dansen” hielden.’

Onlangs verscheen Het Beest van Kruger, de negende roman van Conny Braam

Alle boeken van Conny Braam zijn te bestellen bij Bol.com

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *